Uit het dagboek, mei-juni 2001
‘Na het tanken van een noodvoorraad Weidse Vlakte ging
ik naar binnen. Schuw ploeteren, schor de collegae begroeten. Ik weet er niet
veel meer vanaf en heb weinig behoefte aan herinnering. Alles in duigen. In de
pauze stond ik weer aan het hek.’ ‘Het is maar goed dat ik er niet iedere
dag heen moet. De dagen thuis ben ik ook goed bezig natuurlijk en vandaag kon
ik nog even doen alsof deze hele Jet Set nachtmerrie inderdaad maar een Boze Droom
was.’ ‘Om 7 uur werd ik wakker. De enorme
angst & downheid is een beetje weggesleten, maar toch was het weer flink
donker en zweten vanmorgen. Na brood en koffie bereiden vertrok ik, keek even
naar het weiland, tekende iets en ging naar binnen. Masker op. Maar gaandeweg
de dag werd ik steeds positiever. Het is een combinatie van oeroud gewennen en
een aanval van pathologisch optimisme.’
‘Om half zeven of nog
vroeger werd ik wakker van een mug en arbeidsonrust.’
‘Het contact met de collegae is nog wel geforceerd – en ik kan mezelf
niet zijn – maar het is beter dan helemaal geen contact.’
‘Grappige voorvallen op kantoor, zoals dat ik naar de wc ging. Voor ik
het wist hing ik met mijn leuter boven de wasbak maar toen zag ik mijn
spiegelbeeld en sprak zeer geamuseerd hoofdschuddend hardop ‘totaal
verwilderd!’ tegen hem voor ik toch maar gewoon in het urinoir piste.’
‘Recht uit mijn werk maar nog niet voldoende ‘geland’ om evenwichtige
berichten af te leveren. ‘Er was veel werk voor me te doen en zo
kwam ik mooi onontdekt de dag door.’
‘In de pauze liep ik in
een korte droge periode even naar de weilanden en tekende een urinerende koe...’
‘Vandaag was de triestheid terug. Ik tekende weer een landbouwbeest aan
het hek vanmorgen voor ik naar binnen ging. Het was moeilijk mij vrolijk te
houden en aan de contractuele verplichtingen tegenover de collega’s te
voldoen.’ ‘grote marteling’
‘het kamertje’ ‘archiefkast’
‘brood mee’ ‘wachten op…’
‘En toen naar Jet Set, de plek waar ik ben om te vergeten.’
vrijdag 22 maart 2013
Daarginder
Dagboek, 10 mei
2001
‘De medicinale en onheil-bezwerende krachten van alcohol worden vaak
onderschat; dat zien we vandaag maar weer. Gisteravond zat ik nog zwaar in de
shit maar stopte de gedachten van doem & ondergang met nestactiviteiten
(afwas) en bedwelming (whisky). Nadat ik vanmorgen was opgestaan zat ik beneden
in staat van uiterste paniek met een kop oploskoffie en een pakje gesmeerd
brood naast me. Het zweet brak me uit en misdadige benauwing kneep mijn keel
dicht. Ik lijmde mijn oogballen aan de muur omdat het staren naar het effen witte
behang wat van de gedachten absorbeerde. Nee, niet meer daarheen! Niet daar… Maar
plotseling was ik het een beetje kwijt en kon ik mijn jas aantrekken en in de
auto stappen om naar ‘die plek’ te gaan. Ik was een kwartier te vroeg en dus
stond ik een tijd bij het weiland te kijken.
De werkdag begon. Mensen bellen, naar de klok kijken, mezelf groot houden
en de onbeschrijfelijke schaamte verbijten. Het werd 12 uur: pauze. Ik snelde
het pand uit en liep naar het weiland waar ik twee tekeningen maakte. Bij het
kantoor zat de hele groep buiten op stoelen in de zon. Voorzichtig naderend
probeerde ik bij ze te gaan zitten en trotseerde de goedkope schunnige praat en
lolbroekerij. Daarna ging het werk weer verder. Om 5 uur zei ik: “mensen, ik ga
er vandoor” en reed met barstende koppijn en krankzinnige gekte terug naar Hoorn.
In de auto bedacht ik een krachtige bezwerende mantra: ‘zo, weer 100 piek
verdiend vandaag.’
Je
wilde een eiland? Dáár heb je een eiland! Daar! En toch maar grijnzen,
klopvoetend tellen, het wollig circuspaard van futloos haar en vermolmde botten.
Bekaaide grijsaard. Een land tranen, de ware taal van dood. Afgegist, most en droesem op de geur van oude ziekenhuizen. Zwijg,
hypnose! Leef niet van inheemse stammen met vreemde gebruiken en schreeuwende
logo’s, de kwaadaardige penose onder klotsende golven, vermoorde mongolen
en vettig kristal. En je
herhaalt je herhaalt.
dinsdag 12 maart 2013
Gearmd
Dagboek, dinsdag
8 mei 2001
‘Dit is geen gemakkelijke dag om van te vertellen. Het beste is nog om met
de norse slagen van de klok mee te slaan en het verslag te beginnen bij 7 uur
vanmorgen. Dat was ongeveer het punt dat ik wakker werd, flink koortsig en met
het bekende executiegevoel. Zenuwen waren er niet. Ik bleef nog een tijdje
liggen, starend naar het plafond als Charlie Brown. Ik dacht na over de komende
dag en de beleefde dromen van de nacht, frontaal botsende auto’s, het afbreken van
oude molens, ratten. Na opstaan, twee paracetamols, koffie en een
waterverfschetsje kon ik op weg. De eerste werkdag... Voor ik echt naar binnen
ging, zette ik de auto nog een tijdje stil bij het weiland waar ik bij de twee
eerdere bezoeken ook al had gestaan. Daar was het groot en schemerig leeg. Even
kijken en reflecteren. Kalm die paarden... Ik werd erg treurig. De uiterste
consequentie van alles drong te sterk tot me door. Dit is het… Naar binnen. Maar nu moet ik noodgedwongen gaan snijden en schrappen, kortom inkorten. Ik werd ergens achter een tafel neergezet en vervolgens bewerkt met de meest afgrijselijke informatie. Het begon me te tollen en te verduisteren, maar ik bleef de enthousiasteling spelen. Ik dacht hier aangenomen te zijn voor het controleren van teksten – in mijn eentje rustig en integer werk verrichtend – maar het bleek dat ze van mij een soort ‘spin in het web’ wilden maken. Zo noemden ze dat, waarschijnlijk niet doelend op het uitzuigen van insecten. Iemand die de ‘hele lijn’ gaat doen: contact met klanten, ‘advertentiemateriaal’ beoordelen, de administratie, enzovoort. Was ik maar dood.
Tijdens het werk dacht ik aan Popeye. Daarna keek ik van een afstandje naar mezelf. De andere mensen in het kantoor waren vreemde schimmen op wie ik probeerde normaal over te komen. Ik verfoeide mezelf om mijn onhandelbare schuwheid terwijl ik later in de pauze weer aan het hek over de vlakte stond uit te staren. ‘Het leven gaat wel erg lang duren, als het is met dit soort baantjes, tussen dit soort figuren, in grijze kantoortjes met mijn te sterke ongemakkelijkheid,’ bedacht ik. ‘Maar wat dan? Landloper worden, zeeman, gevangene of K… kotelettenbakker… de mogelijkheden worden schaars. Oh God, haal mij hier weg! Hier pas ik niet, hier mag ik niet zijn… zo mag ik niet aan mijn eind komen. Dit… kán… niet!’
Dit soort gedachten ketsten dreigend rond, soms afgewisseld met wat nuances
als: ‘koest maar… deze paniek is er altijd de eerste week, de afschuw, de haat,
de dissonantie… En thuis lach je er om. Toch? Het zou kunnen. Dus stel je niet
aan. Of meld je morgen maar ziek… Nee, houd vol… Valt wel mee… Nee natuurlijk
niet… Er is geen troost! De negatieve gedachten wonnen vandaag met afgetekend
verschil.
Me erg ziek voelend zat ik de dag toch uit – volhouden tot het doek viel. We
spraken af niet morgen maar op donderdagen en vrijdagen te komen werken. Dat
was maar goed ook want anders had ik me misschien echt ziek moeten melden: dit
gaat écht niet meer zo. Wat een hel is die plek… wat een monsterlijke grauwe, bleke,
dode hel… Nee wás het maar een hel: dit is een hel zonder vuur of zielen. Misschien
dat Caspari me in dienst wil nemen: wat een geluk zou dat zijn…
Ik reed vlot naar huis, schonk een reuzenglas in en dit is alles voor nu in
deze roes van koorts en gedachten. ’s Avonds liep ik naar buiten. In de rode
schemering langs het IJsselmeer, de haven, de gevangenis, even tekenen. En nu
is er niks meer. Ik kan niet.’
Stoppen, deze
sonate voor eenarmige violist. Wat een vaal, banaal verhaal. Wat een verschraald,
koud-spaghettilied met houterige heupjes dat schor mummelt in een groezelige kelder.
‘Man gaat werken op een kloterig kantoortje en vind het er niet leuk.’ Nee, natuurlijk
niet, wat had je dan gedacht? Het is een kantoor! Een dorps reclamebureau nog
wel! Een kleurloos, humorloos, vleugelloos, dufmeurend hol voor onromantisch bedrog en
viezigheid. Sleetse valsheid waar enkel de allerdomsten nog intrappen… Met leugens
in goedkope knalkleur en bombastische übercast (je kan er iets van over houden).
Sletterig opgemaakte sterren en kleine lettertjes ontnuchteren… sommigen althans. Een gapende
productie… leve de lijmfabriek!
Wat had je dan gedacht?
Een tangopas over confetti en lelietjes-van-dalen? Bedwelmende hallen vol Oriëntaals
antiek en romantiek? Toscaanse passie? Roze kamers met duizend-en-één bedreven snollen
vol goddelijke smeerlapperij? Zachte weiden onschuldig fluweelgras dat je
naakte voetzool kietelt… Vliegers… of dat ik ziek en jij lief was? Dacht je aan
fijne gerechten, aan bedachte gedachten en tedere lustmoorden? Bierschuimende
zangen en janken naar de maan? Ik dacht het niet, buddy! Snerpende middelvingersolo’s op een luchtgitaar.Die paarden in die wei zonet, die waren verstandig. Die zeiden niks. Grazen en de vliegen van je afslaan met je staart, dat is het beste. Maar verdomme, zo’n kantoortje… met zijn vermoeide sleur en de dagelijkse mis van ongeloof. Knechten met blauwe ogen en een glurende directie met voor iedere vorm van hebzucht een Latijnse naam, zorgvuldig geleerd, maar verkeerd uitgesproken. Dure alibi’s in familieverpakking, afschrijfbaar in maandelijkse termijnen... Allemaal zwaaisjaal, driegangen knakworstmaal.
Wat is realisme
vervelend en saai. Kappen, draaien, schieten! Toe. Die kotelettenbakker was wel
goed, maar verder? Sloerug, nu met echte stukjes doodverveling. Ga door voor mijn part
en beleger dat kantoor. Maar neem geen gijzelaars, ik bedoel: geen één! En ik
hoop dat er straks minstens iemand beestachtig wordt vermoord, iemand slank en schoongewassen.
Dan kom ik mijn bed weer uit. Draag een cape & hamer. Of anders een T-shirt
met daarop “Weg Met Verdriet!” dan valt er nog wat te lachen. Zing een fijne Tiroler
protestsong, maak een schilderij van massamoord of hopjesvla… who cares. Wat we
hier hadden was helemaal geen schilderij: een lege lijst met daarin een
memoblaadje geplakt waarop ‘b-b-boom’ geschreven was. Schilder!
We
gaan er even tussenuit…
vrijdag 8 maart 2013
Drama (of: Een Uitverkocht Huis)
[Laat ons verder
zien, O zusters, wat de Goden in pectore hebben voor ons stervelingen. Daar
gaat de landman naar de markt, hij is sjofel gekleed in duurzaam linnen. Vrede wiegt
zijn hart. Verderop rolt een ander in een armoedige hut over de grond, geplaagd door
angsten en wanhoop. Nu schuilt hij in kostbare stoffen om zijn eigenheid te
maskeren. Hij slaat onze raadgevingen van zich af. Wee, onzalige broeder!
Geniet toch ijzig van uw tranen!]
Dagboek, maandag 23 april 2001
Om 10 uur vanmorgen zou ik gebeld worden door Jet Set en dus werd de wekker
vroeg gezet. Humeur: min dertig. Het werd later en later maar ze belden me niet.
Ik was hier niet tevreden mee maar ik ging hen nu ook niet bellen. Ik moest
bellen naar het Uitzendbureau om te vragen naar die baan bij Riza (daar ‘hoor
ik nog meer van’…) en naar die baan bij Drukkerij
Caspari, waarom ze me niet gebeld hadden vorige week zoals we toch echt afgesproken
hadden. Eén of andere lulsmoes… En, jahoor, toen uiteindelijk belde die bitch van
Jet Set (ik chargeer maar even fijn voor eigen entertainment want er is toch
niemand om het me kwalijk te nemen) of ik maar weer even gratis wil komen
opdraven om kennis te maken met haar man. Ik zei dat ik achter in de week nog wel
tijd had en sprak af voor vrijdag 12 uur. Highnoon.[Wee, O tijd, O straf. Hij gaat er heen. Gaat hij er heen? Hij gaat er heen! Wees toch wijs, wees wijs en ziet de tekenen… ziet de makrelenlucht. Hoor de duiven, ze roepen roe roe, roe koe oe koe! Hoor het. Dien niet als knecht in dat huis, O broeder. Verlaat het vaderlijk paleis maar zoek geen meester. Zoek een hol en leef van melk en brokjes. Ruik de ossen op de dag dat alle meisjes naar de tempel gaan. Geef niet toe aan de Boze! Roe Roe Koe!]
Dagboek, vrijdag
27 april 2001
Over minder dan drie kwartier moet ik al weer weg naar De Goorn voor m’n
tweede sollicitatiegesprek bij het reclamebureau Jet Set. Ik weet niets beters
te doen dan nog even wat te schrijven. Ik ben nog veel te duf, te down en te verward
om diep in mijn ziel te poeren… laat staan er iets van op te schrijven. Maar ik
zal toch schrijven. Misschien helpt het, leidt het af. Om 9 uur werd ik wakker,
totaal van de kaart en met hoofdpijn. Na een douche- en scheerbeurt, nek
incluis, ging ik naar beneden voor koffie, paracetamol, Pink Floyd en verder op
krachten komen.
11.20) Blijdschap, jubel & jolijt! Het aftellen was al begonnen – het was
alsof ik naar een (mijn eigen) executie moest – toen er gebeld werd: Jet Set
die het gesprek afzegde. Dinsdag mag ik terugkomen. Nu moet ik het maar gaan
‘vieren’ dus. Gered door een belletje…
[Wees niet hovaardig,
verdwaasde stotteraar. Ziet dat ontsnapping hier niet mogelijk is. Hecht geen geloof
aan de Mythe van de Vrije Keus. Het Monster bliksemt u neer met smartnijdige ogen.
Als u weet wat goed is voor u, giet dan houtlijm in uw oren en bindt u vast aan
uw ijskast! En anders… laat ons dan neerzien op uw tocht.]
Dagboek, dinsdag
1 mei 2001
Ontwaak, verworpene der Aarde! Om 7 uur werd ik wakker, redelijk
uitgeslapen en klaar voor de dag van het tweede sollicitatiegesprek met Jet Set
(of ‘Bed Set’ zoals Pa het laatst noemde). De nacht was kort maar voldoende. Nu
drink ik koffie en pak die nieuwe dikke blauwe vulpen voor mijn rituele reiniging
in de vorm van schrijven zoals inmiddels gebruikelijk op sollicitatiedagen. De
vorige pen heette Zilverpijl, of zoiets leuk mallotigs, en deze zal ik, om in
hetzelfde cliché-straatje te blijven, Blue Thunder noemen; of, nee, omdat mannen
hun instrument een vrouwennaam moeten geven ga ik over op Die Blauwe Bertha.
14.45) Daar ben ik weer. Er is iets geknakt in me. Alles. Ik hoor Nergens
bij. Bij niemand. Maar… dat zal ik nu opzij moeten zetten voor een lichtvoetige
beschrijving van de dag tot nu toe (of althans een dappere poging daartoe).
Iets over elf uur reed ik weg en kwam veel te vroeg aan op het verregende industrieterrein.
Ik doodde de tijd weer wat met tekenen en aquarel; een paard was het onderwerp
dit keer – een oud & eenzaam afgedankt vies werkpaard dat daar op een
landje liep, een stortplaats onder een bord “GEVAARLIJKE GROND”. Het werd tijd…
Tot mijn schrik merkte ik dat ik geen pen bij me had. In het dashboardkastje
vond ik er een maar kreeg hem niet tot leven gewekt. ‘Dan maar faken,’ dacht ik…
niets opschrijven, alleen maar professioneel klaarleggen. Op naar Jet Set.
Ik kwam erg onhandig binnen. Gehannes… gedoe… waar laat ik godverdomme mijn
jas?... handjes schudden… glimlachen. Toen moest ik in een klein kamertje een
minuut of tien wachten en had een gesprek van ruim een half uur met de man van
de directrice. Over wat ze van mij verwachten en vooral over wat ze daar
allemaal uitspoken… Maar ik wil er niet over vertellen! Ik wil dit alles zo
snel mogelijk en zoveel mogelijk weer vergeten. Uitwissen… En dus zal ik verder
zwijgen. Het gesprek zelf ging wel redelijk geloof ik, dat wil zeggen dat ik
niet teveel flaters sloeg en misschien wel in de smaak gevallen zal zijn, wat
ik ook beoogde. Maar al vanaf het eerste moment voelde ik een werkelijk enorme haat in me opkomen: haat voor dit
bedelen, haat voor deze commercie, haat voor de werksituatie, haat voor deze
schertsvertoning, deze klucht voor twee, haat voor die vreselijke man en haat
voor dit bestaan.
Ik wilde maar één ding: de natuur in! Frisse lucht om mijn kop, vogels in
de verte, kleine zwarte figuurtjes kromgebogen tegen de horizon, windrimpels op
grijs water… zacht geruis. Maar ik wist mijn rol tot het einde vast te houden
en kwam ook op de één of andere manier het pand weer uit, met mijn jas aan en
nog wat handen geschud. Toen reed ik weg. Ik wist niet waarheen, het maakte
niet uit, ik wilde alleen maar wegrijden. Zo kwam ik uit in Obdam, precies de
andere kant op dan Hoorn. Daar liep ik wat rond zonder iets te vinden. Compleet
terneergeslagen kwam ik thuis. Maar nu moet ik ophouden: er wordt al genoeg
geouwehoerd tegenwoordig.
Dagboek, woensdag
2 mei 2001
De zon scheen zo fijn dat ze me als een sirene naar buiten trok. Met boek,
teken- en aquarelspullen en een grote opluchting (dat Jet Set niet gebeld had
zoals was afgesproken: het leek een ontsnapping) liep ik naar buiten en naar
het meer om bij de aanblik van blauwe lucht, felle zon en bloeiende bomen een
golf van geluk te voelen passeren. Ik ging aan de baai van de gevangenis zitten
tekenen en lezen. Via de stad waar ik boodschappen deed kwam ik weer thuis. Ik
ben een beetje bang om m’n voicemail af te luisteren, maar dat zal moeten
gebeuren. Hoe dit alles aan me vreet is niet makkelijk uit te leggen…
Nu zakte alles in. Ik luisterde zoeven m’n voicemail af, belde Rachel de
Graay terug en kreeg te horen dat ik… ‘het geworden was’. Jippie… nu zal ik
eraan moeten geloven.
[Hoedt het goud!
Vader waarschuwde voor zulk een vijand. De dag was reeds lang aangekondigd. Zo
moest het gaan, zo leert de oude sage. Naar de galeien en de kampen! De
riolering, de pijpen vol met pek, roggebrood en koffiedrap… Proef dit duister, lichtloos als
in de kont van een blindengeleidehond… Geef ons krassende raven en verzakte
dodenakkers, de geur van verraad stroperig in de lucht. Prikkeldraad en
duivelszaad langs bloedende steden… Goddeloos streven. Zucht zoet, O zusters...
m’n arm verdorven kind, m’n kind... (Af).]
dinsdag 5 maart 2013
De Binnenkomst
Het is nu niet het moment om de gang naar het kantoor te beschrijven, de
weg door de polder met de zeven windmolens, de kraaien in de kale zwarte boomtoppen,
de schuivende maïsvelden. Of het in tegengestelde richting passeren van groepjes
kinderen die iedere morgen schreeuwend en slingerend op hun fietsen naar de
grote stad trokken om er naar school te gaan. Of de polderweg langs de
boerderijen, met de dofgrijze kluiten klei op de straat, het gehavende asfalt
waarvan ik iedere scheur en breuk was beginnen te kennen. Af en toe een
wapperend lint vastgekleefd aan het wegdek en resten vuil, stukgereden dieren
en afval in de berm. Of de boerderij met de pony’s en de grote zwarte honden,
de boerderij waarvoor minstens één keer per week onder een blauw zijltje een
dood schaap lag in een ton waarop met rode letters ‘Kadavers’ geverfd was… Dit is niet de tijd. Ik wil het
hebben over de binnenkomst. Laat ik die heel precies beschrijven; alleen dan kunnen
we doordringen tot onder de huid van het geheim...
Meestal kwam ik als eerste en was het kantoor nog dicht en gesloten. ‘Da
bin ich Wieder’ sprak ik zacht tegen mezelf, een grap met nog maar zeer
zwakke toverkracht: het kantoor stond in de straat met de naam Wieder. Ik
stalde mijn fiets onder het afdakje, liep naar de obsceen rood en blauw geschilderde
deur en haalde de sleutels tevoorschijn terwijl ik mijn hoofd in de ruit weerspiegeld
zag tussen de ijzeren tralies.
De grote sleutel voor de voordeur moest anderhalf keer worden rondgedraaid.
Klik. Klik. Bij het open doen de deur een beetje optillen. Meteen na het naar
binnen zwaaien van de deur bewees een neuriënd piepgeluid dat je bestond, als het
alarmsysteem je had gedetecteerd. Binnen de halve minuut moest je het
kastje openen, een meter achter de deur op schouderhoogte, en je persoonlijk
gekozen viercijferige code intoetsen. In mijn geval het makkelijk te onthouden getal
1418. Mijn geboortejaar was al door iemand anders gekozen. Met de polderwind en
het geroep van ganzen nog in mijn oren had de stilte in het kleine halletje
iets heiligs maar ook iets dreigends, als het betreden van een graftombe die
eeuwenlang verborgen was gebleven. De ontwijding kwam onherroepelijk met
het ophangen van de jas aan de kapstok. De plompe ijzeren knaapjes lieten
een vals en hels geklingel horen. Nu wachtte de prikklok. Een blauwplastic fiche werd
langs de sensor van het geval gesleept waarna het apparaat een zakelijke schelle toon
liet horen voor okay-bevinden en gad het display de naam van de werknemer aan in
digitale, onherroepelijke letters. Kwart over acht.
Met een andere, kleinere sleutel kon je de tussendeur openmaken en met
ingehouden adem de crypte betreden… Binnen waren nog restanten van het
kantoorleven van de vorige dag voelbaar: verstomd gelach, zwakgevloek, bleke verveling. Uit het halfduister kwamen de schimmen van de bureaus, stoelen en de
kantoorplant tevoorschijn, een grote anthurium met roestbruine vlekken op de
bladeren veroorzaakt door de droge lucht en omdat iedereen er onverschillig tegenaan liep. De
verstilde lamellen voor de ramen gaven het geheel een onwerkelijk ironische, clichématige
sfeer: net of men hier een decor had opgebouwd dat in een soapserie een kantoor
moest voorstellen. En zo was het ook. In eerste instantie bood het halfduister nog een soort aangename
droomtoestand aan de ruimte; een stoffige zachtheid of warme eenzaamheid. Met de
druk op de lichtschakelaars verdween die sfeer meteen. Overal sprongen de TL-balken
knipperend aan waarna ze met gezoem een onheilspellend wit licht verspreidden,
behalve de defecte exemplaren die met glasachtig ritmisch getik bleven protesteren. Met het knipperdende licht verdween de
droom en veranderde de kinderkamer in een operatiekamer voor wrede experimenten.
Dezelfde sleutel die de deur tussen hal en kantoor opende, paste ook op het
half defecte slot van de keuken, acht stappen naar links, langs het kastje en het dartbord. Maar eerst moest een routineronde over de hele
werkvloer worden uitgevoerd in een logge rondedans. Dan werden de apparaten
tot leven gewekt, de computers met hun zacht gekreun, het kopieerapparaat met gesuis en tikken, de radio die eerst van een
vreselijke zender naar een wat minder vreselijke zender gezet moest worden, geronk, zoemen en getik van het
postfrankeerapparaat. Dan de radiatoren openen
en de grijs metalen kasten met ordners openschuiven.
De lamellen werden 45° gedraaid waarna ze nog een tijd lang droog tegen elkaar
aan bleven tikken en schuren over de grindvloer. Diezelfde dans werd ’s avonds in
omgekeerde volgorde uitgevoerd. Dan mochten de Boze Geesten weer hun gang
gaan tot de volgende ochtend een nieuwe ploeg zou komen.
En dan pas de keuken in. Ook daar
moesten de lamellen worden opengedraaid, de ruimte gelucht en de vaatwasser
uitgeruimd. Bekers bij bekers, glazen bij glazen, netjes op een rijtje anders
werd iemand kwaad, lepels bij lepels, vorken bij vorken, messen bij messen en
de theelepeltjes met de goede kant naar voren in het zachtgele plastic mandje waar allerlei gaten in zaten. De asbakken pontificaal boven op de kast verstoppen, tegen beter weten in
hopende dat ik die niet meer in de vaatwasser zou aantreffen. De lege drankflessen
van de mensen van het kantoor van boven stonden meestal netjes opgesteld onder
de reproductie van een poster die een parodie was op Leonardo’s Laatste
Avondmaal, maar dan met Marilyn Monroe als godheid en Oliver Hardy, Clark Gable
en consorten als apostelen. Een poster die vele gradaties van grappigheid
bereikte over de jaren.
Als dat alles was gebeurd kon ik met een verse kop koffie
neerzakken in de bureaustoel van zwart plastic en mosterdgeel jute vol vlekken,
vlekken die naadloos aansloten bij de vlekken in mijn hoofd als ik mijn ogen sloot en mijn
gedachten verzette. De stoel die alleen over de scheur in de gegoten grindvloer
rolde als ik op precies het juiste moment even opwipte anders bleef het plastic wieltje hangen. Nu was alles kalm. In
de ruimte hing nog de geur van de hond, dood gelach en de intenties er weer een
mooie dag van te maken.
Ik overzag mijn werkplek. Het gebroken grijs kunststoffen bureau glimde. Er lagen wat door collega’s gedumpte papieren, tijdschriften en
kassabonnetjes op en natuurlijk mijn eigen rotzooi: zelfgemaakte houtsnijwerkjes van een liggende
hond, een gestileerd stel mensen, kleine rituele totempaaltjes. Verder een
sneeuwschudbol met een gehurkte kabouter die nét met zijn hoofd net boven het
troebele water uitkwam door het lage peil ervan; een paar tekeningen,
kleurpotloden, krijtjes, een viewmaster met plaatjes van Peter Pan, een bak met
potloden, een versteende keutel, markeerstiften en een collectie paperclips. Vlak
naast mijn hoofd, naast het schilderij in blauw en gouden sierlijst, zat een ongeveer
twee millimeter brede scheur in de muur helemaal van beneden aan de grond tot
boven in het plafond. Op warme dagen kwam hier een sterk weeïge geur door van het
kaasopslaghuis dat in het pand naast one gevestigd was. Na enige tijd komt er een collega binnen. Hij is gehaast, moe, heeft wallen onder zijn kleine ogen, maar met ironische glimlichtjes erin. Gedeelde pret: daar zijn we weer. Ja echt? Ja echt. Hoe is het mogelijk. Inderdaad. Dit gaat een mooie dag worden. We bespreken onze gedachten, met vrolijk gevloek en bizarre ironie, als kleine kinderen op het schoolplein. Dan komt er nog een; hij zucht en gaat stug zitten. Iedereen pakt koffie. En daar komt ook Zij!
vrijdag 1 maart 2013
Het Gesprek
Onder in mijn boekenkast vind ik, bedekt door een dikke laag stof, wat dagboeken
uit de tijd van het begin. Wat een vreemde schrijver moet die hebben geschreven. Ik kan
met de beste wil van de wereld mezelf niet herkennen in die jonge man met zijn merkwaardig
positief soort pessimisme en zijn agressie. Het moeten haast wel Grote Idealen geweest
zijn die het veroorzaakten…
Een prachtige loodgrijze lucht komt hierheen vanuit het westen. Het is duidelijk te zien door mijn keukenraam. Ik draai alweer het Requiem. Dat zal, samen met Canned Heat, het enige zijn dat ik deze week draaide. Blind Owl & Dies Irae… de voortekenen zijn sterk vandaag, muchachos! Ik ben al lang op en ga maar wat schrijven om de tijd door te komen voor ik zo naar het sollicitatiegesprek bij Jet Set moet. In een niet erg onaangenaam sombere bui sleepte ik mijn gehavende lichaam naar de douche waar ik me schoor en schrobde. Ik had eigenlijk niet pas om half drie naar bed moeten gaan, maar ik kreeg pas erg laat de geest bij het kliederen met waterverf op ingres-papier. Het geeft erg mooie opdroogeffecten en het gekleurde papier maakt het je gemakkelijker spaarzame kleurvlekken te gebruiken.
DB, vrijdag 20 april 2001
Een prachtige loodgrijze lucht komt hierheen vanuit het westen. Het is duidelijk te zien door mijn keukenraam. Ik draai alweer het Requiem. Dat zal, samen met Canned Heat, het enige zijn dat ik deze week draaide. Blind Owl & Dies Irae… de voortekenen zijn sterk vandaag, muchachos! Ik ben al lang op en ga maar wat schrijven om de tijd door te komen voor ik zo naar het sollicitatiegesprek bij Jet Set moet. In een niet erg onaangenaam sombere bui sleepte ik mijn gehavende lichaam naar de douche waar ik me schoor en schrobde. Ik had eigenlijk niet pas om half drie naar bed moeten gaan, maar ik kreeg pas erg laat de geest bij het kliederen met waterverf op ingres-papier. Het geeft erg mooie opdroogeffecten en het gekleurde papier maakt het je gemakkelijker spaarzame kleurvlekken te gebruiken.
Straks moet ik naar het sollicitatiegesprek. Als corrector nog wel. Wat een
grap! Ik ben de man die dach en nagt kan schrijven… of schreifen. Maar het is
niet mijn taak hen dat te vertellen, toch? Ik moet gewoon weer voor de doorsnee
doorgaan, schuilgaan, en een grote show opvoeren. […]
Daar ben ik weer. Voor u alleen. En ik ben er niet al te best aan toe moet
ik zeggen. Je geeft alles om in de smaak te vallen bij dit soort mensen die je
niet kent om een baan te krijgen die je niet wilt. Zo gaat dat... het is niet
anders. Ongeveer half één reed ik weg, net op tijd om de afmelding van Jet Set
te missen: ze hadden me vlak voordat het gesprek zou plaatsvinden opgebeld hoorde
ik later. Met nog wat tijd te gaan reed
ik het industrieterrein rond, maakte twee schetsen met aquarel en ging toen de
polder in om er te plassen. Het urineert goed in de polder. Daar maakte ik ook
nog twee schetsen van schapen, en toen moest ik gaan.
Voor een bepaalde tijd kan ik mijn kwaadaardige, subversieve depressieve trekken
wel onderdrukken en de begeerlijke (de normale) proberen uit te hangen. Dat
moest nu gebeuren. Iemand liet me het gebouw binnen, en al snel schudde ik de
hand van ‘mevrouw de Graay’ herself, de directeur van Jet Set reclamebureau.
Het is een jonge vrouw, goedgekleed, of tenminste wat daar in die kringen voor
doorgaat dan... lichtbruin (half negerin, half niet, schat ik: mooie kleur,
mooi haar) en wat de fuck moet ik er verder van zeggen? Ze bood me koffie aan
en ik nam koffie (zwart, altijd zwart). Ze verbood me ‘u’ tegen haar te zeggen…
en toen nam ‘Het Gesprek’ een aanvang.
Ze legde me eindeloos uit over wat voor shitgedoe ze daar allemaal doen. Ik
keek haar diep in haar kapitalistische ogen en liet ondertussen mijn gedachten
afdwalen naar de vreemdste uithoeken van de geest. We zien een harem, een
veehouderij, de geschreven brieven van opgesloten dichters, kwekers van lobelia’s,
een fabriek van suikerklontjes, wrede executies en drogende olieverf… een grap, een werkelijkheid.
Later schrijf ik door... Oh God, wat een ellende! (Sorry!) Vandaag heb ik
mijn toekomst door de plee gespoeld zien worden – een verleden had ik niet en
het heden, daar heb ik het maar liever helemaal niet over. Terug naar het
verhaal. Jezus, wat een…
Ze, Mevrouw de Graay die jij genoemd wilde worden, legde me dus uit wat
voor verdorven praktijken er gebeuren binnen Jet Set en ik knikte vriendelijk, deed
of ik het allemaal machtig interessant vond en maakte af en toe een aantekening.
Daarbij verdrong ik alle opkomende duistere gedachten. Het is echt een kwestie
van de persoonlijkheid uitschakelen (omvormen) en… oh mijn god wat een pijn,
wat een verschrikking. Nooit! Geen! On. Daarom maar naar de feiten. Ze was
onder de indruk van me; zei dat ze ‘een enorm goed gevoel’ had van dit gesprek.
En dat ze in plaats van die baan als corrector ze haar vaste secretaresse er
uit zou gaan gooien om mij fulltime in dienst te nemen. Oh! Vreemd. Opgelucht dat het
over was liep ik naar buiten en ramde de auto kris-kras door het verkeer (wilde
ik dood?) terug naar Hoorn.
Zonder te lachen keek ik een komische serie op TV en ging naar buiten… om
whisky te halen was het plan, maar zag daar later toch maar van af. Beter geen
drank als ik me zo radeloos weet. Ik ging kunstcentrum de Boterhal om 10 voor 5
binnen om de aquarellen te bekijken van een Max Diekman (of zoiets). Om 5 voor
5 was ik weer buiten. Het was wel een goed bezoek, maar Pa heeft gelijk: mijne
zijn mooier. Vreemd genoeg was dat een ontzettend deprimerende gedachte.donderdag 28 februari 2013
De Afscheidsrede
Zo had ik het in gedachten, een toespraak
gehouden aan het eind van een treurige verregende avond in een naargeestig
restaurant. Het opgevouwen papier uit de binnenzak gehaald. Me even vasthoudend aan een
stoel. Met een grote slok het glas legen en dan met zwakke stem de woorden loslaten
als een zwerm kleurige kooivogels…
Iedereen zou verwachten dat het absoluut minimum dat het bedrijf in zo’n geval kan doen is dat zij het etentje zou organiseren en ervoor zou betalen. Maar zo ging dat natuurlijk niet bij ons bedrijf. De afgedankte moest vaak zijn eigen vertrek organiseren. En bij één van de etentjes werd al van tevoren gezegd dat ieder voor zijn eigen eten moest betalen maar dat de afscheidsnemer vrijgehouden zou worden. Op zich erg genoeg? Ja, ik hoor het u denken… Maar het kan nog veel erger natuurlijk. Bij dat bewuste etentje voor Tamara Kruijsheer (ze wordt hier plechtig herdacht), dronk onze geroemde directeur Milo (die natuurlijk te laat kwam) sloten dure whisky’s – iets anders dan single malt was natuurlijk te min, ook al gooide hij het in zijn cola – maar, zo zei hij, dat zou hij zelf wel betalen. Vreemd genoeg was die belofte vergeten toen, een week of twee later, de directrice met de pet rondging bij het personeel om het etentje voor Tamara te betalen… toen werd de rekening, inclusief de fooi, gewoon gedeeld door het aantal aanwezigen. En niet veel later dwarrelde het bonnetje op mijn bureau voor de boekhouding zodat het volledige bedrag als bedrijfskosten ingeboekt kon worden, en het volledige BTW bedrag afgetrokken. Vandaar mijn vraag: waarvoor zijn die etentjes bedoeld?
“Vrienden,
collega’s, Baas & Bazin… Dit is een bijzondere avond: mijn laatste avond
als werknemer van Jet Set. Het is een
avond die ik me in mijn hoofd vele malen geprobeerd heb voor te stellen, maar het
heeft toch weer ieder voorstellingsvermogen getart. Er gaat op dit moment zo
veel door me heen, dat het bijna onmogelijk is er iets van mee te delen aan
jullie. Ik denk aan de warmte die ik zo vaak heb mogen ervaren, de tedere gevoelens
van zoete heimwee & verknochte vriendschap, de vele momenten van vreugde
& tragiek die we al die jaren met elkaar beleefd hebben. De Intense
Gesprekken, de oprechte kameraadschappelijkheid en natuurlijk ook de Moeilijke Momenten
waar we samen doorheen kwamen, in eendracht en met opofferingszin. De lieve
hond.
Op deze
plaats wil ik en moet ik zeggen hoe veel ik al deze jaren gehouden heb van
sommigen onder jullie. Niet iedereen van hen kon er vanavond bij zijn, de
meesten van hen zijn al jaren geleden uitgezworven over de zeeën, maar ook hen
herdenk ik met veel plezier hier vanavond. Ik zal geen namen noemen maar dit [spreker
maakt handzoengebaar]… dit is voor jullie!
Het zoveel
jaren samen zijn betekent natuurlijk ook je soms elkaar eens goed in de ogen
moet kijken en elkaars waarheden met koningswater moet besprenkelen om te
kijken hoe dik de laag verguldsel is. En niet alleen die van een ander, ook die
van jezelf. Het kan niet altijd vredig en harmonieus zijn; daar moet aan
gewerkt worden. Soms zijn er kleine dingetjes die eventjes heel groot lijken, ergernisjes
die de dag erna alweer vergeten zijn, weggespoeld met wat pinten en elkaar eens
op de schouder slaan. Het zou flauw zijn die dingen elkaar nog tijdenlang na te
dragen. Dat is niet de stijl ik probeer na te leven... Je slikt eens en lacht hartelijk
om jezelf en om de anderen. En je lacht om het idiote gewemel van het leven dat
we zo serieus nemen…
Er zijn
echter ook momenten waarop je sommige dingen
wel moet uitspreken. Je moet je medemensen niet het recht ontnemen de waarheid
te horen. Ze laten zweven in de droom van de illusie… te laten baden in een
vals bad van surrogaat-ezelinnenmelk... nee, het is belangrijk je medemensen te
verrijken met de waarheid, al kan die soms pijn doen.
Daarom zijn
hier een paar dingen die niet onvermeld mogen blijven, al was het alleen maar
om de schijn weg te nemen dat ik een hypocriet zou zijn. Dat is niet het geval.
In feite is het juist om niet hypocriet
te zijn en hier vanavond weg te gaan met bittere gevoelens dat ik vrijuit spreek.
Het geval wil, dat ik veel van wat ik nu te zeggen heb, lang heb binnengehouden,
voornamelijk uit medelijden met de betrokkenen en een misplaatst idee van
barmhartigheid. Maar ook gedeeltelijk door een vreemde hang naar zelftuchtiging.
Omdat ik onder de indruk verkeerde dat de mensen die het betreft ‘ook maar simpele
zielen’ waren, verblind door de valse goden van de wereld en te onkrachtig om
zich aan die verblinding te onttrekken… neemt u me mijn barokke woorden vanavond niet
kwalijk alsjeblieft, ik heb er een paar op en kan mezelf moeilijk aanpassen.
Wat ik bedoel, verdomme, is, dat ik jarenlang gedacht heb dat iedereen van u
goed zijn best deed om zich zo fatsoenlijk en rechtschapen mogelijk te gedragen
als hij of zij maar kon. En als iemand zijn best doet kan je hem of haar niets
kwalijk nemen, zo is het toch?
‘Onder de mantel
der liefde’ heet zoiets in de volksmond geloof ik. De volksmond is wel een
toepasselijk woord hier, want als er voor mij één ding komt bovendrijven als ik
denk aan de algemene sfeer bij ons bedrijf, dan is het wel de
volkse aard ervan: die goeie ouwe joviale volkse sfeer… toch? Zo geroemd in
romantische nostalgische televisieseries voor massavermaak, over bendes waar men scherp van
de tong is maar in tijden van nood klaarstaat voor elkaar, verbroederd met
elkander… Woest maar niet ledig… dat idee.
Een mooie
fantasie, die spiegel van eigenliefde van het proletendom. Dit kantoor was
voor mij de eerste kennismaking met een bot, boers, egoïstisch, dierlijk soort irrationele agressie en,
al zal ik haar met genoegen herdenken, ik hoop haar nooit weer tegen te komen. Hoe
vaak ik bijvoorbeeld niet onze directrice Rachel heb horen dreigen om deze of
gene ‘de kop van de romp te trekken’… ha ha, ja u lacht er nu om, maar zoiets
verwacht je niet snel... Fysiek
geweld als compensatie voor mentale tekortkomingen… de rode lijn van
holbewoners tot roofridders…
Maar niet
alleen deze mentaliteit zal me lang bijblijven. Nee, men kan ook denken aan
heel andere dingen. Bijvoorbeeld de heersende mentaliteit als het gaat om geven
& nemen. Zo herinner ik me nu dat ik eens ten behoeve van ons fraaie tijdschrift
Amsterdam Journal foto’s ging maken in
de hoofdstad en daarbij helaas, geheel buiten mijn schuld, één van de
batterijen van mijn camera verloor in de Binnen-Amstel. Ik zie hem nog
stuiteren en ik hoor nog het plonsje. Wat mij betreft was dit een
schoolvoorbeeld van een ‘bedrijfsongeval’ en ik verwachtte dat Rachel het minieme
bedrag voor het batterijtje wel zou willen vergoeden, vooral al omdat ik met
mijn eigen camera op stap was voor het werk, en daarvoor niets rekende, laat
staan voor een lunch of parkeerkosten of dat ik ongeveer 13 uur bezig was
geweest en slechts 8 uur rekende. Maar in plaats daarvan tekende zich een merkwaardig
en mal soort woekermentaliteit af in haar: iedere euro die niet perse aan mij besteed hoefde te worden, die
moest in de zak van de baas gehouden worden.
En die
kleine dingen bij Jet Set stonden vrij schril tegenover de overduidelijke
rijkdom en extravagante levenswijze van meneer & mevrouw directeur. Hoe kon
dat? Gingen zij niet de hele tijd paardrijden, golfen, naar sauna’s en luxe
vakantie-resorts, en schaften zij zich geen hele dure auto’s en computers aan?
En dat doorgaans allemaal ook nog ten laste van het bedrijf. En dan niet een in
de Binnen-Amstel gerold batterijtje willen vergoeden… een merkwaardige
toestand.
Die
fundamentele houding van vooral Rachel – het in woord & gebaar uitdragen dat
het personeel vooral slechts een kostenpost is, en al allerminst een
gewaardeerde medewerker voor de zelfde zaak – die zorgde voor een
onuitgesproken schisma tussen haar en haar personeel. Onuitgesproken omdat ik
iemand ben die steeds het beste van mensen verwacht en niet goed kan omgaan met
conflicten over principiële zaken: wie niet snapt waar de morele grens loopt, die
ga ik het niet uitleggen. Maar ook onuitgesproken omdat iedere poging tot
dialoog, of zelfs maar een hint naar bepaalde dingen, steevast bij Rachel een hysterische
reactie uitlokte van het bij voorbaat ingraven in eigen stellingen en een
ongehoorde persoonlijke agressiviteit met wilde tegenaanvallen. Wie aankwam met
iets dat de reuk van kritiek of ontevredenheid leek te hebben kon rekenen op
een grootscheeps tegenoffensief met alle strijdkrachten die ze maar in zich
had.
En zo durfde
niemand wat te zeggen en zagen we toe hoe alles verslechterde en versoberde,
tenminste, voor wat het personeel aanging. Over het zo lang beloofde maar nooit
gematerialiseerde pensioen, over een loonsverhoging of over alle andere niet
nagekomen beloften werd niet eens meer gesproken. Niet met de directie bedoel
ik, want onderling ging het bijna nergens anders meer over. Het Pensioen werd
gedurende vele jaren de leukste running
gag van het kantoor… tot het niet
grappig meer was. Maar wie praat
er nou over geld? Er zijn belangrijkere dingen. Warmte bijvoorbeeld. Halve
dagen stond ik met dikke truien aan tegen de verwarming geplakt om het bibberen
tenminste voor even te stoppen terwijl de mensen verderop in hun winterjassen
zaten te werken.
En wat is
fysieke warmte in het licht van menselijke? Dit brengt me mooi terug naar de
situatie van vanavond: het afscheid. De afgelopen jaren heeft iedereen hier –
ik kijk jullie aan en jullie weten dat het zo is – zich doodgeschaamd over de
manier waarop dit bedrijf afscheid nam van haar medewerkers. De mensen die zich
jarenlang hebben ingezet, met kolossale energie, slaafse houding en zonder ooit
iets voor zichzelf te vragen. Die mensen, het zijn er volgens mijn laatste
telling 55, teveel om nu op te noemen, ze werden allemaal abrupt aan de kant
geschoven waarna in het beste geval een ‘etentje’ volgde… Een etentje als vanavond
dus. Een etentje voor wie? Voor wat? Voor de afgedankte werknemer? Voor de
collega’s? Voor het geruststellen van het geweten van de directeur? Of voor het
publieke imago van de directeur? Wie het weet mag het zeggen.Iedereen zou verwachten dat het absoluut minimum dat het bedrijf in zo’n geval kan doen is dat zij het etentje zou organiseren en ervoor zou betalen. Maar zo ging dat natuurlijk niet bij ons bedrijf. De afgedankte moest vaak zijn eigen vertrek organiseren. En bij één van de etentjes werd al van tevoren gezegd dat ieder voor zijn eigen eten moest betalen maar dat de afscheidsnemer vrijgehouden zou worden. Op zich erg genoeg? Ja, ik hoor het u denken… Maar het kan nog veel erger natuurlijk. Bij dat bewuste etentje voor Tamara Kruijsheer (ze wordt hier plechtig herdacht), dronk onze geroemde directeur Milo (die natuurlijk te laat kwam) sloten dure whisky’s – iets anders dan single malt was natuurlijk te min, ook al gooide hij het in zijn cola – maar, zo zei hij, dat zou hij zelf wel betalen. Vreemd genoeg was die belofte vergeten toen, een week of twee later, de directrice met de pet rondging bij het personeel om het etentje voor Tamara te betalen… toen werd de rekening, inclusief de fooi, gewoon gedeeld door het aantal aanwezigen. En niet veel later dwarrelde het bonnetje op mijn bureau voor de boekhouding zodat het volledige bedrag als bedrijfskosten ingeboekt kon worden, en het volledige BTW bedrag afgetrokken. Vandaar mijn vraag: waarvoor zijn die etentjes bedoeld?
Een zelfde
soort truck werd uitgevoerd bij het afscheid van onze goeie ouwe Glen. Alleen
werd daar pas achteraf verteld dat het afscheidsetentje voor eigen rekening zou
zijn. Een bedanketentje voor de werknemer die in tien jaar tijd tonnen heeft
verdiend voor het bedrijf, die nu afscheid ging nemen… het werd betaald door zijn
collega’s. Ik herinner me het nog goed, het was ook hier in restaurant Jiorgos.
Milo kon die avond niet zo lang blijven… er was een talentenjacht op
TV.
Ach, weet u…
het regent nu. Alles is verloren. En alles komt goed. Voor zover ik weet komt
altijd alles goed. Ook wat niet goed komt, komt goed… Ik moet lachen. Ha ik lach! Wie? Ik sluit mijn speech nu
maar af, berg de rest van mijn papieren op, neem nog een laatste glas en bedank
jullie, mijn collega’s voor dit door jullie betaalde etentje. ‘Champagne voor
de hele zaak!,’ roep ik als de Man uit het Ondergrondse! De tijd ontbreekt me om nu
nog te vertellen over de andere verschrikkingen, het wantrouwen, de control
freak, de leugens, het zielige vertoon van macht, het geloof in een
kantoormentaliteit, dat die zou bijdragen aan een hogere productie… hoe komt
een mens erop? Je schildert alles grijs en installeert een prikklok, en als de
mensen dan minder werk gaan doen, of met minder plezier, laat je ze lijsten
invullen van hun bezigheden en hoeveel minuten ze eraan besteed hebben en je
begint iets dat je werkoverleg noemt maar in feite sessies zijn van het zinloos benoemen van onverbeterlijke toestanden… en als dat allemaal nog niet het gewenste
effect heeft laat je een watercooler
komen. Een watercooler… dan zou het
allemaal wel beter gaan, want dat doen ze in Amerika ook op hun kantoren.
Goed, het is
klaar. Ik bedank een ieder voor hun komst. Sandy, je was een grote bron van
vermaak. Jeanette… we hebben veel gelachen en je was van iedereen de
grootste criticaster van het kantoor, ik hoop dat je er vrede mee
vindt; het is jammer dat je op het moment dat ik ontslagen werd mijn brieven niet meer wilde beantwoorden en niets meer van
je liet horen maar hier nog wel zo heerlijk zit te smullen. Greg… ik
dacht dat we vrienden waren maar ook jij hebt niets van je laten horen of je
een op zijn minst een collega getoond; maar aan de andere kant heb ik je nog nooit op een
persoonlijk mening kunnen betrappen dus misschien waren mijn verwachtingen te hoog gespannen. Ruud…
waar is hij? Oh, die is even weg want toen het gezelschap zich meer dan drie seconden
niet met hem, de grote Ruud Kerkhof, kon bezighouden is hij hem gesmeerd. Mike… het ga je goed makker, waar je ook bent. Ook een proost op de andere
aanwezigen hier, al spijt het me dat ik hun namen niet ken, jullie, de stagiaires
die zijn aangetrokken om mijn werk goedkoop over te nemen. Dat jullie maar fijn
terecht komen en genieten van het leven! Milo, ik zie dat je op je
stoel zit te drentelen; ik weet niet of er weer een talentenjacht op de buis is
vanavond of dat je hoognodig moet pokeren op het internet, maar als je weg wilt
houd ik je niet tegen. Rachel, moge God je genadig zijn… ik ben het
niet.
En dan ga ik
nu. Laat mij dit etentje maar betalen. Hier is vijfhonderd euro, dat moet
genoeg zijn, meer heb ik niet trouwens. Ober… mijn mantel!”
Abonneren op:
Posts (Atom)